Verdwijnpunt

Het thema is klassiek: vanuit de ruimte binnen wordt via de kunst een
relatie gelegd met de natuur buiten. Beroemde voorbeelden zijn de villa's
van Renaissance-architecten, die het ontwerp van hele gebouwen baseerden op
dit principe. Meer eigentijds waren de Land Art projecten van Robert
Smithson, waarbij ingrepen in moeilijk bereikbaar landschap gepresenteerd
werden door middel van foto's en tekeningen in een galerie of museum, zodat
een abstracte inside/outside relatie ontstond. Immers, door kennis te nemen
van het geëxposeerde beeldmateriaal binnen ontstond in het bewustzijn van de
beschouwer een connectie met het afwezige kunstwerk buiten, en volgens de
vele verzamelde teksten van Smithson was dat door de kunstenaar ook zo
bedoeld.
Bij de nieuwe installatie van beeldhouwster Joos Clijsen, die naar een
vergelijkbaar principe is opgezet, hoeft de toeschouwer geen theoretische
geschriften te doorvorsen om de gedachte te kunnen volgen. Niet omdat het
werk minder complex zou zijn of eenduidig, maar omdat de inside/outside
relatie visueel kan worden waargenomen. Het grote raam in de
tentoonstellingsruimte biedt namelijk een riant uitzicht op de oorsprong van
de geëxposeerde tekeningen en objecten. De grote zwart/wit tekeningen tonen
onder andere de door het venster zichtbare horizon, terwijl de manshoge
monumentale sculpturen hun vorm en materiaal ontlenen aan de op de horizon
nog net waarneembare bomen en de aarde: de organisch aandoende, wat
onregelmatige vormen zijn geabstraheerde boombladeren, uitgevoerd in leem.
De beelden zijn dus een interpretatie en transformatie van elementen in de
reeds aanwezige toestand.
Op een soortgelijke manier verhoudt het huidige werk van Clijsen zich tot
haar bestaande oeuvre, het is eveneens een interpretatie en transformatie
van ideeën in vroeger werk. Monumentaliteit en aardsheid zijn regelmatig
terugkerende karakteristieken daarin, evenals de soms haast paradoxaal
aandoende vereniging van tegengestelden, zoals abstractie en organische
materie, verleden en toekomst, ver weg en dichtbij, zelfs zo dichtbij dat de
menselijke proporties als maatstaf voor de beleving van ruimte, als bij een
virtual reality ervaring, worden weggevaagd. De bezoeker wordt
geconfronteerd met de noodzaak tot heroriëntering van zichzelf in relatie
tot de gepresenteerde situatie, wat is zijn positie onder de hemel als de
vertrouwde criteria veranderen?
Het werk van Clijsen geeft uiteraard geen antwoord op die vraag, het
relativeert slechts de gebruikelijke conditionering. Een boomblad is in het
voorjaar nog niet voltooid, pas in een nog onbekende toekomst zal het,
groeiend aan de boom, tot ontplooiing kunnen komen. Zo zal een
driedimensionaal model van een boomblad, dat zich qua formaat kan meten met
een robuuste bezoeker, zich in de geest van die bezoeker moeten ontwikkelen
tot een nieuw idee omtrent de perceptie van boombladeren, of de weergave
daarvan; zeker wanneer het oorspronkelijke blad zich niet alleen onzichtbaar
ver weg aan de einder bevindt, maar ook nog onkenbaar ver weg in de tijd.
Vanuit een ander standpunt gezien is immers ook een bezoeker van de
tentoonstelling, zelfs een robuuste, niet meer dan een punt op iemands
horizon, onzichtbaar in een onbekende dimensie.

Irene de Graaff
Amsterdam 10 maart 2000